Hoofdmenu:
Viskennis
Onderlijnen Het vissen met onderlijnen heeft tal van voordelen tegenover het vissen in één stuk, met de haak rechtstreeks aan de hoofdlijn geknoopt.De belangrijkste voordelen zijn:Zonder verlies van de dobberafstelling verwisselen van haak.Het voorkomen van het verlies van de dobber (of breuk van de hengel) door het vast zitten aan een obstakel, planten of bodembegroeiing.Vis je met een onderlijn (dunner of gelijk aan de hoofdlijn) dan heb je bovenstaande problemen niet. Zit je vast, geen probleem, de lijn die breekt is altijd de onderlijn. Je onderlijnen hebben allen dezelfde lengte, dus knoop er een nieuwe aan en je vist in geen tijd weer verder.De lengte van de onderlijn moet ieder zelf bepalen (waar jij lekker mee vist). Meestal bedraagt ze tussen de 13 á 20cm voor kanaalvisserij en tot 40 á 60cm voor vijver- en brasemvisserij.Hoe maken we nu onze onderlijnen?Eerst en vooral moet je iets hebben waarin of waarop je de gemaakte onderlijnen bewaren kan. Je kan zelf iets ineen knutselen of gewoon in de handel iets kopen wat hiervoor gemaakt is. Zelf heb ik gekozen voor een onderlijnenmapje.Om je onderlijnen zelf te maken moet je wel een beetje handig, en vooral niet van het zenuwachtige type zijn. Vele mensen zullen wel denken, "wat moet ik daar mijn tijd mee verdoen?". Die koop je toch gewoon in de winkel. Goed mij niet gelaten. Koop jij me maar eens onderlijnen met een rode haak 22 met nylon van 6/100 of een haak 14 met 8/100. Moeilijk te vinden hé. Je onderlijnen zelf maken heeft echter nog een voordeel. Je kan niet meer vloeken wanneer je een vis verliest door een slechte (machinaal) geknoopte haak. De enige op wie je kwaad kan zijn is jezelf. Want jij hebt de knoop gelegd.Ik maak normaal 10 onderlijnen van de haken waar ik mee vis. D.w.z. haak 22 t.e.m. haak 10.Dat zijn dus 70 onderlijnen met allen dezelfde lengte. Om alle lijnen makkelijk op dezelfde lengte te maken heb ik het volgende bedacht:Neem een vlak plankje hout dat 10cm langer is dan de lengte van de onderlijnen die je wit maken.Dit plankje mag voor de stabiliteit wat zwaarder en dikker zijn.Sla hier 1 (dun)spijkertje met kop in en 1 spijkertje zonder kop in op de gewenste afstand van elkaar.Het spijkertje met kop gebruik je om het haakje in te hangen, dat zonder kop om de lus te maken.Wanneer het haakje achter het spijkertje hangt wentel je de draad over het spijkertje zonder kop, schuift de draad af terwijl je hem vanboven vasthoudt en maakt de lusknoop zonder dat het punt waarop de draad dubbelgevouwen werd veranderd. Zorg wel dat je je lussen allen even groot maakt.Hoe je de haak- en lus knoop maakt lees je in het deel "knopen maken".Beiden werken op dezelfde manier. In het ene uiteinde van de lus plaats je de lange pin, en in de knoop de korte. Aantrekken terwijl je het nylon aan de knoopzijde omhoog schuift en klaar. Het voordeel van de lusknoper is dan hij van plastic is, waardoor je je niet kan bezeren. Een ander voorbeeld is dat je grote (voor de bovenlijn) en kleine (voor de onderlijn) lussen maken kunt.Nu de lussen gemaakt zijn bevestig je ze aan elkaar: Steek de lus van de hoofdlijn door de lus van de onderlijn, en daarna de haak door de lus van de hoofdlijn (daarom gebruik ik altijd de grotere lussen voor de hoofdlijn).Maak nu alstublieft niet de klassieke fout door de haak door de hoofdlijn en vervolgens door het lusje van de onderlijn te steken. Dit geeft een veel zwakkere verbinding doordat nu tijdens de dril alle druk rechtstreeks op de (dunnere) onderlijn te staan komt, wat een enorme verzwakking betekend.
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Peilen Verkennen van de visplekDe hengelaar met de vaste stok die langs de waterkant een visstek heeft gevonden, komt voordat hij kan gaan vissen, altijd voor het probleem te staan dat hij een keuze zal moeten maken uit de verschillende tuigjes die hij ter beschikking heeft. We kunnen namelijk niet vissen gaan met slechts een tuig, omdat de keuze van het juiste tuig afhankelijk is van o.a. de waterdiepte, de mate van stroming en de weergesteldheid. De betere ‘’vaste stok hengelaar’’ zal altijd meerdere tuigen met dobbers van een verschillend drijfvermogen bij de hand hebben. Het is aan te bevelen om tuigjes met dobbers van verschillend gewicht van een en hetzelfde model te maken. Bijvoorbeeld het peermodel, dat als een allround model mag worden beschouwd.Om nu de waterdiepte te weten te komen, moeten we de visstek gaan uitpeilen.Uitpeilen, d.w.z. het verkennen van de bodemstructuur van de visplek, is een precies karweitje, dat door vissers nog wel eens onderschat wordt. Toch is goed peilen vaak bepalend voor de uiteindelijke visvangst!Het op de goede manier uitpeilen geeft een schat aan informatie die nodig is om tot optimale resultaten te komen; door goed te peilen komen we niet alleen de waterdiepte te weten, maar ook de diepere en ondiepere plekken, eventueel aanwezig bodemvuil en obstakels, waterplanten, en zelfs de mate van helling van de bodem.Vooral die helling is belangrijk, omdat we daarmee rekening moeten houden bij het maken van de voerplek.De voerballen kunnen bij een glooiende bodem gemakkelijk nog meters doorrollen, zodat de uiteindelijke voerplek buiten ons hengelbereik kan komen te liggen!Een oplossing is dan om de voerballen korter in te werpen of, als er niet al te veel stroming staat, de ballen zo los te knijpen, dat ze al bij de eerste aanraking met het water uit elkaar vallen.Het peilloodHet peilen gebeurt met een zogenaamd peil of dieptelood. Het bekendst zijn het knijppeillood en het kegellood of klokloodje.Knijppeillood bestaat uit twee halve bolletjes, die met de vlakke kanten onder druk van een veertje tegen elkaar klemmen.Dit bolletje kan men openknijpen en rond de eventueel beaasde haak plaatsen.Het kegel of klokloodje heeft bovenaan een oog en onderin een stukje kurk.De bedoeling is dat de haak met de lijn door het oog wordt gehaald, waarna de haak in het kurkje wordt vastgeprikt.Het uitpeilen zelfUitpeilen doen we recht onder de hengeltop. Ik ga er maar even van uit dat een hengel wordt gehanteerd met daaraan een verkort tuig. Het vissen met een korte lijn,d.w.z. met een tuig korter is dan de lengte van de hengel, brengt wel met zich mee dat we de hengel bij het inleggen of ophalen van de lijn moeten aan of afbouwen. Stel bijvoorbeeld dat we een hengel hanteren van negen meter lengte, de waterdiepte is twee meter.Tussen de top en de dobber houden we een korte opslag van ongeveer een meter. De totale lengte van de vislijn is nu drie meter. Om bij de haak te kunnen komen moeten we de hengel, vermoedelijk bij het derde deel afsteken.De pen wordt ingesteld op vermoedelijke waterdiepte. Het peillood laten we recht omlaag onder de top in het water zakken.Onder het gewicht van het peillood staat het soepele topje van onze hengel licht gekromd. Als het lood de bodem raakt zal de top weer recht gaan staan.Wanneer de pen nu onder water blijft, weten we dat de pen omhoog moet. Als de pen daartegen boven water hangt, dan moeten we de pen naar beneden schuiven.Dit schuiven met de dobber en het telkens weer opnieuw peilen, doen we net zo lang tot alleen nog het puntje van de dobber boven water zichtbaar is.We hebben nu "staande haak" uitgelood, zoals dat heet. De haak staat dus als het ware op de bodem. Dit is een prima afstelling om met vissen te beginnen. Vooral als we nog maar net gevoerd hebben en de voerdeeltjes nog volop actief zijn, vangen we vaak zo de eerste vissen. Goed, dat weten we dan zult u zeggen en nu gaan we vissen.Wacht.....Op dit moment gaan de meeste onervaren vissers in de fout. Want wat hebben we gedaan? We hebben op een willekeurige afstand van de oever de waterdiepte gepeild. Meestal zal die afstand gelijk zijn aan de maximale lengte van onze hengel, bijvoorbeeld acht meter, maar over de verdere bodemstructuur, over de mate van helling van de bodem, over diepere en ondiepere plekken weten we nog niets. Wie zegt ons, dat die visplek op acht meter de ideale visafstand is? Neen hoor, om dat te weten te komen moeten we ook eens voor en het liefst ook achter de visplek peilen. Alleen op die manier krijgen we een goed zicht op de bodemgesteldheid van onze visplek. Het mooiste is natuurlijk een vlak stukje bodem, zonder hinderlijke obstakels.Als we zo'n tafeltje; zoals wedstrijdvissers dat zo mooiuitdrukken, hebben gevonden, dan peilen we ook nog eens een metertje naar links en naar rechts. Alle mogelijke afwijkingen in de bodem, kuilen en richels, prenten we in het geheugen.Als we geluk hebben was de in eerste instantie gekozen visafstand de juiste, maar net zo gemakkelijk kan het zijn dat we dichterbij of, als de hengellengte dit toelaat, verder weg moeten vissen.Zachte bodemNiet al het viswater in ons land heeft een harde zandbodem.In water waar de bodem bestaat uit soms tientallen centimeters modder, moeten we voorzichtig zijn met zwaar peillood. Omdat dit zware peillood gemakkelijk vele centimeters in de diepe modder kan wegzinken, zal de gepeilde diepte dan op geen stukken na kloppen met de werkelijke diepte.Als we een zachte bodem vermoeden, doen we er goed aan om nog eens na te peilen, maar nu met een superlicht peillood.DrijvenZoals ik in het begin van dit artikel al aanhaalde zijn we begonnen met een min of meer willekeurig tuig aan te knopen. Mogelijk dat het drijfvermogen van de gekozen dobber, gelet de waterdiepte en de stroomsterkte de juiste was. Dit komen we pas te weten als we het tuig eens laten drijven.Zonder peillood maken we een paar driftjes op de eventueel aanwezige stroming.Door met de hengeltop de dobber tegen te houden kunnen we zo ook eens proberen het tuig stil te leggen. Als de dobber te licht is voor de aanwezige stroming, dan is dat snel te zien aan het schuin gaan van de dobber en zijn verwoede pogingen om uit het water te klimmen. In dat geval zal naar een ander zwaarder tuig moeten worden overgestapt.In het algemeen gesproken zullen we, zonder in overdrijving te vervallen, ernaar moeten streven met een zo licht mogelijk tuig te vissen. Welk tuig onder welke omstandigheid het beste zal voldoen is niet eenvoudig te zeggen. Algemene richtlijnen zijn natuurlijk wel te geven, maar uiteindelijk zal toch ervaring en het visgevoel van de hengelaar in kwestie de keuze bepalen.Veel vissen en uitproberen, dat is de enige manier om een echt goede visser te worden.Wie zei er dat het vissen met de vaste stok zo gemakkelijk was ?? ik niet!Tot slot nog een tip.Het is handig om direct na het peilen de gevonden waterdiepte te markeren, zodat deze ook al verschuiven we tijdens de visdag de dobber vele malen, altijd kan worden teruggevonden. Een stukje tape of een strak opgerold elastiekje om de hengel wordt vaak toegepast.